Navigatie

Goedkeuring op redelijke gronden

Geplaatst op 6 juni 2012

In paragraaf 6 'Verplichtingen van de aannemer', lid 26 van de UAV 2012 staat 'deze goedkeuring zal niet mogen worden onthouden op onredelijke gronden'. Hoe ga ik daar, bijvoorbeeld als directievoerder, in de praktijk mee om?

De volgende vraag is bij de helpdesk van STABU binnengekomen: In paragraaf 6 “Verplichtingen van de aannemer”, lid 26 van de UAV 2012 staat “deze goedkeuring zal niet mogen worden onthouden op onredelijke gronden”. Hoe ga ik daar, bijvoorbeeld als directievoerder, in de praktijk mee om?

imagesCAONVLN1.jpgAntwoord helpdesk STABU
In de gehele paragraaf 6 “Verplichtingen van de aannemer”, lid 26 van de UAV 2012 staat:

“De aannemer kan bepaalde onderdelen van het werk in onderaanneming laten uitvoeren, mits voor de keuze van deze onderdelen en van de daarvoor in te schakelen onderaannemers de schriftelijke goedkeuring van de directie is verkregen; deze goedkeuring zal niet mogen worden onthouden op onredelijke gronden. De aannemer blijft niettemin jegens de opdrachtgever voor die onderdelen ten volle verantwoordelijk.”

Aanvankelijk wilde men bij de herziening van de U.A.V. 1989 deze schriftelijke goedkeuring door de directie in zijn geheel schrappen. Dit voornemen baseerde men op Burgerlijk Wetboek 7, “Bijzondere overeenkomsten”, titel 12 “Aanneming van werk”, afdeling 1 “Aanneming van werk in het algemeen”, artikel 751 waarin staat:

“De aannemer is bevoegd het werk onder zijn leiding door anderen te doen uitvoeren, en ten aanzien van onderdelen ook de leiding aan anderen over te laten, zulks onverminderd zijn aansprakelijkheid voor de deugdelijke nakoming van de overeenkomst.”

De wet gaat er dus van uit dat er geen goedkeuring nodig is van de opdrachtgever (of van een directie namens de opdrachtgever). In de UAV 2012 is uiteindelijk, net als in de U.A.V. 1989, wederom gekozen om deze schriftelijke goedkeuringsvereiste te handhaven. Zou namelijk de opdrachtgever, via de directie, geen milde vorm van inspraak hebben dan zou hem dat om te beginnen, in het kader van de Ketenaansprakelijkheidsregeling en de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), de nodige (financiële) problemen kunnen opleveren in de vorm van boetes. Dit ondanks de laatste zinsnede in paragraaf 6, lid 26 van de UAV 2012 waarin staat:

“De aannemer blijft niettemin jegens de opdrachtgever voor die onderdelen ten volle verantwoordelijk.”

en ondanks paragraaf 6, lid 9 van de UAV 2012 waarin staat:

“De aannemer vrijwaart de opdrachtgever tegen aanspraken van derden tot vergoeding van schade, voor zover deze door de uitvoering van het werk is toegebracht en is toe te rekenen aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de aannemer, zijn personeel, zijn onderaannemers of zijn leveranciers.”

De schriftelijke goed- of afkeuringsgronden van de directie kunnen daarnaast ook gebaseerd zijn op zaken als:

  • screening van de onderaannemer op de Wet Bibob; Bureau Bibob voert op verzoek van bestuursorganen integriteitscreeningen uit. Men doet dit aan de hand van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob). Het doel hierbij is het witwassen van crimineel geld in de bouw- en vastgoedsector te voorkomen;
  • screening van de onderaannemer op afgeleide eisen uit de Selectieleidraad waaraan de aannemer moest voldoen toen hij nog gegadigde was, op zaken als financiële, economische, technische en organisatorische aspecten;
  • controle of de onderaannemer VCA-gecertificeerd (Veiligheid, gezondheid en milieu Checklist Aannemers;
  • controle op vakbekwaamheid, door middel van referenties van andere opdrachtgevers.

Voldoet de, door de aannemer tijdens de uitvoering van het werk voorgestelde, onderaannemer niet of niet voldoende aan één of meerdere van deze criteria dan is dat hoogstwaarschijnlijk een redelijke grond als bedoeld in paragraaf 6, lid 26 van de UAV 2012 om de schriftelijke goedkeuring te onthouden.
 

 

bron: STABU-bulletin juni 2012

 

 

Terug naar de vorige pagina

Stuur deze pagina door