Afstemming objectenbibliotheken cruciaal voor bouwbrede afsprakenstelsels
geplaatst op: 02-02-2007
“Als u begrijpt wat ik bedoel...” Deze woorden van vertwijfeling van een heer van stand – Ollie B. Bommel,de onsterfelijke schepping van Marten Toonder – kunnen over niet al te lange tijd definitief uit het vocabulaire van de bouwwereld worden geschrapt. Tenminste, als het aan Paul Jansen en Radboud Baayen ligt. Jansen is projectmanager bij het cluster Infrabouwproces van CROW, Baayen is projectleider Research & Development bij Stabu.
Beide organisaties timmeren aan de weg met afsprakenstelsels voor een eenduidige informatie-uitwisseling in de bouw. Stelsels die de kans op misverstanden tot zo goed als nul moeten reduceren: de ideale situatie dus waarin iedere bouwpartner feilloos begrijpt wat de ander bedoelt. Aan de basis van deze stelsels ligt altijd een (digitale) verzameling van consistente en expliciete definities van ‘objecten’, zoals bruggen, wegen, riolering, beplantingen, gebouwen, muren, deuren enzovoort. Met daaraan toegevoegd algemene, niet projectgebonden informatie. Samengebracht in databases vormen deze verzamelingen ‘objectenbibliotheken’.
Verschillen
Nu is er in het landschap van die basale objecten van meet af aan een meerstromengebied ontstaan. Met andere woorden: de ene objectenbibliotheek is de andere niet. Zo werkt CROW aan een objectenbibliotheek voor de grond-, water- en wegenbouw (gww), de ‘GWW-OB’, en Stabu aan een soortgelijk product voor de burger- en utiliteitsbouw (b&u), het ‘STABULexiCon’. Daarnaast zit ook de installatiesector Uneto-VNI niet stil, want daar hanteert men een eigen ‘artikelenclassificatie’. Omdat een object – hoe je het ook wendt of keert – een object is, zouden objectdefinities in principe bouwbreed eenduidig toepasbaar moeten zijn. Toch blijken de onderlinge verschillen tussen de genoemde bibliotheken inmiddels te groot om nu voor één bepaalde bibliotheek te kiezen en deze vervolgens bouwbreed, over alle sectoren heen, van toepassing te verklaren. “Neem bijvoorbeeld het object ‘weg’ uit de GWW-OB”, licht Jansen toe. “Dat begrip zou je in het STABU-LexiCon onder de categorie ‘vloeren’ moeten zoeken. Dat snapt een wegenbouwer natuurlijk niet. Zo’n voorbeeld maakt duidelijk dat de verschillende sectoren op dit gebied allang hun eigen weg zijn ingeslagen. Wat op zichzelf ook weer niet verkeerd is. De opdrachtgever, de architect, de installateur, de riooldeskundige, de wegenbouwer, al die partijen praten immers in hun eigen vaktaal, met hun eigen woordenschat, hun eigen objectdefinities, en dat alles ook nog eens volgens hun eigen vakstandaards.” “We hebben het dan over de wijze waarop alle objectinformatie wordt vastgelegd, denk met name aan de structuur en aan de verschillende typen relaties tussen de objecten. Bibliotheekbeheerders moeten daarom goede onderlinge afspraken maken over de ‘digi-taal’ waarin de definities worden vastgelegd.”
Baayen vult aan: “Aan de ene kant moeten we constateren dat Stabu en CROW voor een verschillende aanpak hebben gekozen, weliswaar beide vanuit (internationale) informatiestandaards. Stabu is met zijn LexiCon meer top-down te werk gegaan, vanuit uniforme, heldere structuren. CROW juist bottom-up, vanuit bestaande kennis.
Dat is historisch verklaarbaar, want CROW had met zijn kennisproducten al veel – weliswaar impliciete – kennis op de plank liggen. Aan de andere kant, wat de gekozen informatiestandaards betreft, hecht Stabu net zozeer als CROW aan aansluiting bij de markt, zowel nationaal als internationaal. Samen werken Stabu, CROW en Uneto-VNI daarom aan een soort ‘kennisplein’ op internet, dat alle algemene informatie over bouwobjecten toegankelijk maakt. Daarnaast werkt Stabu ook internationaal samen, vooralsnog met Noorwegen, de Verenigde Staten en Canada. We hebben niet alleen oog voor de eigen bouwsector, maar denken ook aan de kansen op termijn voor een wereldstandaard op dit gebied.” Jansen beaamt dat CROW die internationale aansluiting op dit moment minder hoog op de agenda heeft gezet, maar benadrukt tegelijkertijd dat die er vroeg of laat voor de gww-sector zeker zal moeten komen. “Juist de door ons gehanteerde
ISO-standaard biedt veel perspectief voor internationale samenwerking.”
Ideaal
Ondanks de inhoudelijke verschillen tussen de bestaande objectenbibliotheken, kan het niet zo zijn dat deze tot in lengte van dagen geheel afzonderlijk, zonder enige verbinding, worden gebruikt, zo stellen Jansen en Baayen. “Daarvoor zijn de bibliotheken veel te belangrijk als bouwstenen voor bouwbrede afsprakenstelsels”, aldus Jansen. “Het ideaal is dat de opdrachtgever, de aannemer, de architect en de installateur, kortom, iedereen die betrokken is in welke fase van het bouwproces dan ook, de objectdefinities kan vinden die hij voor zijn toepassing nodig heeft. Of het nu gaat om specificeren, ontwerpen, kostenramingen, risicomanagement, bestekschrijven, noem maar op, het moet voor de gebruiker niet uitmaken of de opgehaalde objecten nu uit een b&u- of een gww-bibliotheek komen.” Dat ideaal is nu flink dichterbij gekomen nu PAIS en PSIBouw de ontwikkeling van het eerdergenoemde kennisplein ondersteunen.
Dat plein – met als volledige werktitel ‘Kennisplein NLbouw’ – komt als een gebruikersvriendelijke schil om de verschillende objectenverzamelingen te liggen. Baayen: “Je kunt het plein zien als een voorsorteervak naar de verschillende bibliotheken. De gebruiker merkt uiteindelijk niet in welke verzameling hij terechtkomt, voor hem telt alleen dat hij het gezochte object, met alle informatie die eraan hangt, naar zijn applicatie kan ‘slepen’. Daar zit natuurlijk de nodige geavanceerde ICT achter om alle relaties op een goede manier te ‘matchen’. Het interessante is – je kunt het zelfs wel visionair noemen – dat deze ontwikkeling niet alleen van voortschrijdende voortschrijdende inzichten afhangt, maar in feite al gestuurd wordt door de mogelijkheden die technologieën nu bieden.”
Katalysator Jansen: “Het kennisplein is cruciaal voor de onderlinge afstemming van de verschillende objectenbibliotheken. In die zin werkt PAIS als een geweldige katalysator. Die afstemming is dáárom ook zo belangrijk, omdat we moeten zien te voorkomen dat er weer verschillende de-factostandaards, dus commerciële standaards, ontstaan.” In het najaar van 2007 moet het kennisplein in de lucht zijn, als resultaat van een gezamenlijke inspanning van CROW, Stabu en Uneto-VNI. De vertwijfeling die nu nog doorklinkt in de woorden ‘als u begrijpt wat ik bedoel’ zal dan wellicht nog niet bij alle bouwheren van stand verdwenen zijn, maar de belangrijkste stap is dan wel gezet. “Om nog een keer met heer Bommel te spreken: we hopen natuurlijk dat we met het kennisplein echt ‘de list’ hebben verzonnen waar iedereen op zit te wachten”, besluit Jansen.
CROW etcetera jrg. 2 (2007), nr. 1 (januari).
Terug